Hoe kun je lees- en/of spellingsproblemen herkennen bij je kind?

Home/Dyslexie/Hoe kun je lees- en/of spellingsproblemen herkennen bij je kind?
Hoe kun je lees- en/of spellingsproblemen herkennen bij je kind? 2017-05-29T10:09:22+00:00

 Hoe kun je lees- en/of spellingsproblemen herkennen bij je kind?

Deze lijst is ontwikkeld om u te helpen bij het (tijdig) correct interpreteren van de signalen die kunnen duiden op problemen met het (voorbereidend) lezen en spellen.

Niet alle kinderen met deze signalen ontwikkelen leesproblemen of zijn dyslectisch.

Een vertraagde spraak-/taalontwikkeling en dyslexie in de familie hebben wel een zekere voorspellende waarde.

 

Algemene signalen & risicofactoren

  • In de familie komen lees-/spellingsproblemen of dyslexie voor.
  • Er zijn/waren veel articulatieproblemen; het kind is (lang) slecht verstaanbaar (geweest).
  • Het kind heeft weinig belangstelling en/of zin in lezen, schrijven en taal in algemene zin.
  • Er is/was sprake van een zwak taalniveau, bijvoorbeeld: het kind spreekt in kromme zinnen, het kind kan niet ‘spelen’ met woorden (van losse lettergrepen langere woorden maken lukt onvoldoende); het kind heeft woordvindingsproblemen; het kind kan niet goed samenhangend uitleggen.
  • Er is sprake van leesvermoeidheid.
  • Er is sprake van (het ontwikkelen van) faalangst.
  • Er is sprake van een moeilijk leesbaar handschrift.
  • Er is sprake van een trage verwerkingssnelheid van talige informatie.
  • Er wordt thuis weinig voorgelezen.

 

Signalen in groep 1 & 2

  • Er is sprake van een matig fonemisch bewustzijn: zwakke auditieve discriminatie, synthese, analyse en onvoldoende rijmvaardigheden.
  • Er is sprake van automatiseringsproblemen wat betreft namen (van klasgenootjes), kleuren, versjes/liedjes, dagen week en/of de cijfers 1 t/m 10.
  • Het kind is niet geïnteresseerd in letters; vindt bijvoorbeeld het schrijven van de eigen naam niet interessant.
  • De letterkennis is, ondanks veel oefenen, onvoldoende. Een te beperkte woordenschat beïnvloedt het leesproces negatief.

 

Signalen in groep 3 & 4

  • Er is sprake van een matig fonemisch bewustzijn: zwakke auditieve discriminatie, synthese, analyse en onvoldoende rijmvaardigheden.
  • Er is sprake van automatiseringsproblemen wat betreft de letters.
  • Er is sprake van lang spellend of vroeg radend lezen en/of lezen met fouten.
  • Het kind herkent de woorden visueel i.p.v. lezend en loopt vast.
  • Het kind gaat niet meer met plezier naar school (i.t.t. groep 2).
  • Het kind heeft moeite de aandacht bij verbale informatie te houden.
  • Het kind heeft moeite met het doorzien van woordstructuren:’storm’->‘strom’.
  • Het kind heeft moeite met het toepassen van ritme en klemtoon tijdens lezen.
  • Er is sprake van het hardnekkig verwisselen van letters, bijvoorbeeld de [b] en de [d] (problemen met automatiseren).
  • Het kind leest niet graag hardop.
  • Het kind komt niet tot stillezen.
  • Er is sprake van problemen bij het onthouden van de tafels (problemen met automatiseren).
  • Het kind slaat vaak woorden over bij het lezen en/of laat delen van woorden of zinnen weg tijdens lezen.
  • De groei van de taalontwikkeling neemt af door een laag (technisch) leesniveau. Let op gedrags- en/of emotionele problemen. Ouders en leerkrachten spelen bij het signaleren hiervan een belangrijke rol. Geadviseerd wordt niet te aarzelen met het inzetten van extra hulp in deze periode.

 

Signalen in groep 5, 6, 7, 8

  • Er is sprake van traag lezen (spellend).
  • Er is sprake van radend lezen met veel fouten.
  • Het lezen van losse woorden gaat aanmerkelijk slechter dan het lezen van teksten.
  • Er is sprake van moeite met lezen van functiewoorden (bijvoorbeeld de, het, maar, want, wat).
  • Er is sprake van monotoon lezen.
  • Het kind heeft een grote weerstand tegen leesbeurten.
  • De leesmotivatie neemt af.
  • Er is sprake van automatiseringsproblemen wat betreft de spellingsregels.
  • Het kind maakt veel fouten in dictees.
  • Het kind schrijft letterlijk op wat hij/zij hoort.
  • Het kind corrigeert zichzelf niet of nauwelijks bij het maken van spellingsfouten (metacognitieve vaardigheden zijn onvoldoende).
  • Er is sprake van moeite met begrijpend lezen.
  • Er is sprake van rekenproblemen (bijvoorbeeld het omdraaien van getallen boven de 10, problemen met de tafels en ‘verhaalsommen’).
  • Automatiseringstaken zijn lastig (bijvoorbeeld klokkijken, links-rechts).
  • Er is sprake van problemen met het onthouden van namen of het ophalen van namen uit het geheugen, bijvoorbeeld bij vakken als geschiedenis of topografie.
  • Het kind heeft moeite met het lezen en volgen van de ondertiteling op televisie (vanaf groep 7).
  • Het kind heeft problemen met het uitvoeren van de hoeveelheid taken.